Bij het verlenen van Eerste Hulp bij een ernstig ongeval of aan een slachtoffer met ernstig letsel kan het zijn dat je na enige tijd deze gebeurtenis niet uit je hoofd kan krijgen. Dat zo’n hulpverlening iets met je doet is heel normaal. Hoe lang dit duurt of hoe heftig de gebeurtenis op je inwerkt verschilt per persoon.

Volg je gevoel. Als je daar behoefte aan hebt, praat met anderen wanneer je merkt dat je er steeds aan blijft denken. Dat kan met je partner, familie, vrienden of collega’s op het werk zijn. Je kan bijvoorbeeld ook praten met hulpverleners die ook EHBO hebben verleend bij het ongeval.

Praten kan helpen. De kaderinstructeurs of vertrouwenspersonen die bij de KRB zijn aangesloten kunnen zeker ook iets voor je betekenen. Met hen kun je bespreken wat je hebt gedaan tijdens de eerstehulpverlening en je ervaringen uitwisselen. Het idee dat je er alles aan hebt gedaan om aan het slachtoffer zo goed mogelijk Eerste Hulp te verlenen, kan de verwerking makkelijker maken. Napraten is geen verplichting, en zeker niet voor iedereen de beste manier, maar het kan wel helpen bij de verwerking. Bij de meeste mensen zullen de emoties langzaam afnemen.

Een gering aantal mensen blijft echter de eerstehulpverlening herbeleven. Op de meest onverwachte momenten komt de herinnering eraan naar boven. Je voelt je emotioneler, slaapt slecht, bent prikkelbaar of je kunt je slecht concentreren. Ook kunnen lichamelijke klachten optreden zoals hoofdpijn, misselijkheid, buikpijn. Het tijdelijk ervaren van deze verschijnselen is normaal. Als je echter langer dan een maand van meerdere van bovengenoemde verschijnselen last blijft houden, is het raadzaam om contact op te nemen met de huisarts. Deze kan je indien nodig verwijzen naar professionele hulpverlening.

Voor meer informatie kun je een bericht sturen naar ehbo@krb.nl. Geef duidelijk aan of het om een vertrouwelijke kwestie gaat en of je een gesprek wilt met een kaderinstructeur of vertrouwenspersoon.

Delen van dit artikel zijn ontleend aan EHBO.NL, april 2016, nummer 2 jaargang 4, p.29